Skip to content
08/03/2012 / gjmbennink

Voor zzp’er(s) die zelf de belastingaangifte doet(n).

Liever kleine baas dan grote knecht, zegt het spreekwoord. Maar in tijden van crisis is het zelfstandig ondernemerschap niet altijd een pretje. Daarom voor zzp’ers die zelf de belastingaangifte (moeten) doen, zeven aandachtspunten op een rijtje.

 

1. Urencriterium

Ondernemers zijn er, fiscaal gezien, in soorten en maten.De fiscale voordelen zijn het grootst voor de ondernemer die voldoet aan het urencriterium: kort gezegd houdt dit in dat de ondernemer in 2011 minimaal 1.225 uur aan zijn bedrijf moet hebben besteed. Als de onderneming naast een dienstbetrekking wordt gedreven, moet bovendien meer dan de helft van de tijd aan het bedrijf zijn besteed (deze eis geldt niet voor starters). De fiscus kan vragen de aan de onderneming bestede uren aan te tonen, dus in twijfelgevallen is het verstandig de uren bij te houden. De ondernemer die voldoet aan het urencriterium heeft recht op de zelfstandigenaftrek, die flink kan oplopen.
De zelfstandigenaftrek bedraagt 9.484 euro bij een winst tot 14.045 euro en loopt vervolgens af tot 4.602 euro bij een winst van meer dan 59.810 euro. Startende ondernemers hebben de eerste 3 jaar recht op een extra aftrek van 2.123 euro. Voor 65-plussers bedraagt de aftrek steeds de helft van de genoemde bedragen.

2. Mkb-winstvrijstelling
Bovenop de zelfstandigenaftrek komt de mkb-winstvrijstelling van 12 procent. Interessant is dat het recht daarop sinds 2010 is losgekoppeld van het urencriterium. Iemand die naast zijn baan een paar 100 uur besteedt aan een eigen onderneming, heeft dus recht op 12 procent winstaftrek. Voorwaarde is wel dat het een echt bedrijf(je) is, dus met eigen klanten, een eigen positie in de markt, debiteurenrisico enzovoort. De praktijk leert dat de Belastingdienst hier weleens (te) moeilijk over doet en ten onrechte nog steeds uitgaat van de regel: niet voldoen aan het urencriterium betekent geen mkb-winstvrijstelling.

3. Activa en passiva

Elke onderneming heeft bezittingen ofwel ‘activa’. Alle zaken die direct samenhangen met de bedrijfsactiviteiten moeten verplicht op de ondernemingsbalans worden opgenomen. Vaak zal dit wel helder zijn, denk aan gereedschappen, voorraden en openstaande debiteuren. Bij andere activa heeft de ondernemer een keuze, bijvoorbeeld omdat ze zowel zakelijk als privé worden gebruikt. Denk aan de auto of de werkruimte (zie verderop), maar ook aan een bank- of spaarrekening. Als er een flink saldo op die rekening staat, kan het voordelig of juist nadelig zijn deze op de fiscale balans te plaatsen. Welke keuze de beste is, hangt van de specifieke situatie af (rente belast in box 1 of saldo belast in box 3). De ondernemer heeft hierbij geen volledige vrijheid, de keuze voor wel of niet opnemen op de balans moet wel redelijk zijn. Voor schulden ofwel ‘passiva’ geldt hetzelfde. Voordeel van het opnemen van een schuld op de balans kan zijn dat de rente dan aftrekbaar is. Voorwaarde is wel dat de schuld samenhangt met de bedrijfsactiviteiten (bijvoorbeeld financiering activa of werkkapitaal). Tot slot is van belang dat de ondernemer niet elk jaar willekeurig een nieuwe keuze kan maken voor het wel of niet op de balans opnemen van activa en passiva.

4. (Vervroegde) afschrijving en investeringsaftrek
Een bijzondere categorie activa zijn de bedrijfsmiddelen. Een ondernemer die in 2011 10.000 euro (het minimum is 2.200 euro) heeft geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, heeft recht op 28 procent ofwel 2.800 euro investeringsaftrek. Daarnaast mag hij afschrijven. Normaal gesproken bedraagt de afschrijving 20 procent per jaar, maar een startende ondernemer mag de afschrijving ook ineens nemen. Desgewenst heeft hij dus een aftrekpost van 12.800 euro over 2011. Nadeel daarvan is dat de jaren daarna niets meer kan worden afgeschreven, maar misschien is het toch gunstig vanwege verliesverrekening of middeling met de jaren vóór 2011. Dit geldt vooral voor startende ondernemers die voorheen in dienstbetrekking goed hebben verdiend.
Kleinere aankopen tot 450 euro hoeven niet te worden geactiveerd en kunnen meteen ten laste van de winst worden gebracht. Gelet op de investeringsaftrek kan het soms interessant zijn een aantal kleinere aankopen als één samenhangende investering aan te merken, zodat er wel recht op investeringsaftrek ontstaat.

5. Werkruimte
Uiteraard zijn de kosten van een bedrijfspand aftrekbaar van de winst. Veel kleinere ondernemers opereren echter vanuit hun woning en dan ligt het een stuk ingewikkelder. Als het bedrijfsmatig gebruikte deel bouwkundig te splitsen is (aparte ingang en eigen sanitair; bijvoorbeeld een verbouwde losstaande garage), kan dat op de ondernemingsbalans worden opgenomen. Voordeel is dan dat alle kosten aftrekbaar zijn. Daar staat tegenover dat de waardeverandering van het bedrijfsdeel ook tot het bedrijfsresultaat behoort. Tot enkele jaren terug zou ik geschreven hebben ‘dat de waardestijging dan ook belast is’, maar in de huidige tijd geldt evenzeer dat ‘de waardedaling aftrekbaar is’. Zo ziet u dat de crisis ook op dit punt tot nieuwe keuzes aanleiding kan geven.
Is het bedrijfsmatig gebruikte deel bouwkundig niet te splitsen van de woning, dan is er soms de keuze om de totale woning op de balans op te nemen. De voor- en nadelen hiervan moeten goed worden afgewogen en deskundig advies is noodzakelijk. Wordt hier niet voor gekozen, dan kunnen geen huisvestingskosten worden afgetrokken.

6. Auto
Ook de auto is zo’n bezitting waarbij de ondernemer veelal de keuze tussen wel of niet activeren heeft, tenminste als deze zowel zakelijk als privé wordt gebruikt. Wordt de auto op de balans gezet, dan zijn de kosten (inclusief afschrijving) aftrekbaar voor zover ze hoger zijn dan de bijtelling wegens privégebruik. Die bijtelling is, net als voor werknemers, afhankelijk van de milieucategorie 0, 14, 20 of 25 procent van de cataloguswaarde. Als de bijtelling hoger is dan de kosten, is het veelal voordeliger de auto privé te houden en per zakelijk gereden kilometer 19 cent te vergoeden. Let op: voor de btw moet u een vergelijkbare keuze uitbrengen. Van belang daarbij is dat het toegestaan is om voor de inkomstenbelasting te kiezen voor zakelijk en voor de btw voor privé, en omgekeerd.

7. Oudedagsreserve
Ondernemers jonger dan 65 die voldoen aan het urencriterium kunnen desgewenst een bedrag belastingvrij reserveren in de zogeheten oudedagsreserve. Jaarlijks kan 12 procent van de winst worden gereserveerd, met een maximum van 11.882 euro. Toevoeging is alleen mogelijk binnen de grenzen van het ondernemingsvermogen. Dat kan aanleiding zijn om bijvoorbeeld een spaarrekening wel op de balans op te nemen en zodoende het ondernemingsvermogen te verhogen. Wie aan de oudedagsreserve wil meedoen, moet zich drie zaken goed realiseren. De eerste is dat de oudedagsreserve een tijdelijke aftrekpost is. Op enig moment wordt de oudedagsreserve namelijk weer bij het inkomen geteld, hetzij ineens hetzij gespreid (omgezet in een lijfrente). Het is dus uitstel en geen afstel. Het tweede aandachtspunt hangt daar direct mee samen en betreft het percentage van aftrek. Als de toevoeging wordt afgetrokken tegen het toptarief van 52 procent, is het eigenlijk altijd voordelig. Maar wie aftrekt tegen 42 procent of minder, loopt de kans dat over de latere vrijval 52 procent verschuldigd zal zijn. Dan is wel sprake geweest van uitstel van belasting, maar niet van besparing, integendeel. Ten derde moet de ondernemer beseffen dat de oudedagsreserve geen ‘potje’ is dat ergens voor hem wordt opgebouwd (zoals een pensioen). Het is een belastingvoordeel, niet meer en niet minder.

© Gelderlander 2012, op dit artikel rust copyright.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: